NEDERLAND - Het aantal slachtoffers van cybercrime neemt toe, maar het aantal veroordeelde daders blijft achter. Dat blijkt uit onderzoek van het WODC dat de onderzoekscijfers van online criminaliteit over de periode 2018 en 2020 naar buiten bracht. Hoewel de bevindingen uit het onderzoek nuttig zijn, heeft de politie sinds 2020 flinke verbeteringen gedaan in de aanpak van cybercrime.


In het rapport ‘In- en doorstroom van online criminaliteit in de strafrechtketen’ stelt het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) dat er meer en meer slachtoffers zijn van online misdaad, maar dat het aantal veroordelingen achterblijft. Als redenen hiervoor noemt het WODC de lage aangiftebereidheid van slachtoffers, de complexiteit van cyberzaken, en dat justitie onvoldoende zouden zijn ingericht om cyberzaken effectief op te pakken. Verder stellen de onderzoekers dat politie en justitie online criminaliteit niet goed registreren, waardoor er beperkt zicht is op het fenomeen.

Brede aanpak

‘De ontwikkelingen op het gebied van online misdaad gaan razendsnel en dit geldt ook voor de aanpak ervan’, zegt Theo van der Plas portefeuillehouder cybercrime bij de politie. Het WODC baseert zich op cijfers tussen 2018 en 2020, maar sindsdien is er veel verbeterd in onze aanpak van cybercrime. Zo hebben we aangiftes van cybercrime gebundeld en is er nu een landelijke aanpak bij cybercrime-onderzoeken. De brede aanpak van online criminaliteit die de politie nu hanteert gebruiken we niet alleen in de opsporing en vervolging, maar ook op ander interventies, zoals het verstoren van criminele processen.’

Recent hebben de Nederlandse Politie, Europol en politiediensten uit 10 landen – met een grote verstoringsactie – 34 servers uit de lucht gehaald van de ransomware groepering LockBit. In Nederland alleen al werden toen 13 belangrijke servers offline gehaald. Hiermee zijn de criminele activiteiten van de groep ernstig verstoord en aangetast. En in 2023 checkten nog ruim 5 miljoen mensen hun mailadres op checkjehack, nadat een internationale onlinehandelsplaats in identiteitsgegevens uit de lucht werd gehaald.

De politie verzet veel werk rond de aanpak van online misdaad. Desondanks zijn er de komende jaren verbeteringen mogelijk. Van der Plas: ‘Bij online criminaliteit is het vaak lastiger om bij een verdachte te komen dan bij traditionele criminaliteit. Het contact met het slachtoffer vindt ook meestal alleen digitaal plaats, waardoor extra opsporingshandelingen nodig zijn om de dader te vinden. Dat vraagt veel van ons als politie, ook in de komende jaren, naast het andere politiewerk dat nodig is. De aanpak van cybercrime is een brede maatschappelijke opgave, van burgers, bedrijven en de overheid.’

Puzzelstukje

Slachtoffers van cybercrime doen niet snel aangifte. De politie ziet bij dit soort delicten dat het schaamtegevoel bij het slachtoffer vaak groot is, dus houden ze het liever stil, ook voor vrienden en familie. ‘Een mogelijke oorzaak zijn de lage schadebedragen’, denkt Van der Plas. ‘Verder leeft het idee dat de politie met één enkele aangifte toch niets kan. Wij blijven echter oproepen om bij dit soort delicten wél aangifte te doen. Die informatie van het slachtoffer kan nét het ontbrekende puzzelstukje zijn om de dader te vinden. Door aangifte te doen, help je bovendien voorkomen dat anderen slachtoffer worden. Met aangifte-informatie kunnen wij frauduleuze bankrekeningen en websites uit de lucht halen.’ Alleen samen gaat het ons lukken cybercriminaliteit effectief te bestrijden, en daar werken wij hard aan.’